Begraafplaatsen der Belgische gesneuvelden in Nederland

 

 

Na de vlucht van de hoofdmacht van ons leger uit Antwerpen in oktober 1914 werd de pontonbrug naar linkeroever afgebroken en werden er zowat 40.000 Belgische militairen op  de rechteroever van de Schelde achtergelaten, zo goed als omsingeld in een wurggreep van het Duitse leger. Hun opdracht was Antwerpen zolang mogelijk uit de handen van de Duitsers te houden en daardoor de Duitse opmars zoveel mogelijk te vertragen.

 

Het had evenwel geen zin om tot ter dood te vechten, waarbij bovendien de stad zou verwoest worden, of om in Duitse krijgsgevangenschap te belanden. De officieren meenden dat een uitbraak naar Nederland hen de kans zou geven om de hoofdmacht van ons leger te vervoegen via Engeland.

 

Op 9 oktober ging een delegatie van burgers, met aan het hoofd burgemeester Devos, senator Ryckmans en gedeputeerde Franck, samen met de Spaanse consul in Antwerpen, Sebra Y Sa´z, naar Kontich om de voorwaarden tot overgave van de stad te bespreken met de Duitse generaal Von Beseler. In de nacht van 9 op 10 oktober verlieten de Belgische militairen de stad met hun generaal Deguise, vergezeld van nog vier andere generaals en 400 officieren. Ze waren nochtans belast met de verdediging van de stad tot de laatste man.

 

 

   

 

Generaal Von Beseler                              Generaal Deguise

 

 

Op 10 oktober 1914 waren er in de Antwerpse agglomeratie al 2.400 huizen vernield of beschadigd door de Duitse beschietingen.

Luitenant-generaal Robert Werbrouck, de chef staf van generaal Desguise was ter plaatse gebleven en op 10 oktober om 7u30 gaf hij als gevolmachtigde van generaal Deguise zijn akkoord met de overeenkomst die de burgers gesloten hadden met generaal Von Beseler, tot overgave van de stad.

 

Ook hij vertrok nadien naar Nederland, zodat er 6 generaals in internering gingen. Maar de Nederlanders, neutraal in deze oorlog, zagen zich verplicht om de conventie van Den Haag toe te passen en alle Belgische militairen te ontwapenen en te interneren.

 

Lange tijd werd er hardnekkig vastgehouden aan de thesis dat het hier in feite ging om een vorm van massadesertie. Die thesis bleek niet houdbaar omdat alle officieren, inclusief de opperbevelhebber, mee gevlucht waren. Geen enkele van deze militairen of hun nabestaanden heeft evenwel ooit enige vergoeding gekregen voor hun verblijf in internering of voor hun deelname aan de eerste twee maanden van de oorlog.

 

Men schat dat zowat 7.000 ge´nterneerde soldaten erin geslaagd zijn te ontsnappen uit internering en via England de hoofdmacht van ons leger vervoegd hebben achter de IJzer. Bij een telling op 1 september 1918 bleken er nog 31.256 Belgische ge´nterneerden aanwezig te zijn in de verschillende kampen. Ze werden ondergebracht in kazernes, barakken en tentenkampen in 8 steden, verdeeld over het ganse land, maar met een belangrijke concentratie in Harderwijk op zoĺn 50 kilometer ten noord-oosten van Utrecht.  Daar verbleven ze tot het einde van de oorlog.

 

Tijdens de jaren van internering en ontbering stierven minstens 377 militairen aan allerlei ziekten en ongevallen maar voornamelijk ten gevolge van een Spaanse griep-epidemie in de zomer van 1918. Wegens de besmettelijkheid van die Spaanse griep werden de stoffelijke resten van de overleden militairen nooit gerepatrieerd. Zij lagen her en der begraven op de burgerlijke begraafplaatsen van de steden waar ze ge´nterneerd waren. Zoals in BelgiŰ zijn ze ook in vele gevallen in de loop der jaren opgeruimd. Maar niet in Harderwijk waar zich de grootste concentratie aan graven bevond.

 

 

 

 

Tussen de Belgische en de Nederlandse regeringen werd in 1960 overeengekomen de stoffelijke resten van de overleden militairen zoveel mogelijk samen te brengen op de begraafplaats van Harderwijk en hen daar een eigen ereveld te geven. 224 individuele graven en een monument met nog eens 124 namen zijn het resultaat van deze overeenkomst.

 

Het monument is evenwel geen massagraf. De lichamen van de militairen vermeld op het monument zijn hier om hierboven aangehaalde redenen niet begraven. 

 

 

Op dit ogenblik liggen er nog op volgende Nederlandse begraafplaatsen Belgische militairen die in internering gestorven zijn: 

 

Begraafplaats Lindenhof, Metslawiersterweg in Dokkum: 1 militair. 

Begraafplaats Oosteinde in Harderwijk: 224 individuele graven, monument met 124 namen van militairen.

Stedelijke begraafplaats, Akerstraat in Heerlen: Monument/massagraf 14 militairen.

Stedelijke begraafplaats, Tongerseweg 210 in Maastricht: Monument/massagraf 5 militairen.

Stedelijke begraafplaats, Wylrehofweg 17 in Venlo: Monument/massagraf 4 militairen.

Stedelijke begraafplaats, President Rooseveltlaan 731 in Vlissingen 5 individuele graven.

Oude begraafplaats Dokkum, DamwÔlsterreedtsje: 1 individueel graf.

 

 

Harderwijk

 

 

Is het graf hiernaast het bewijs dat het Belgische leger in de Eerste Wereldoorlog kindsoldaten heeft ingezet?

 

Henri Moureau, 12 jaar toen hij in internering stierf in 1918, was niet eens 8 jaar bij het uitbreken van de oorlog in 1914. De knaap ligt in het erepark in Harderwijk begraven.

 

Hij is de jongste kerel die we op enige militaire begraafplaats of erepark van de Eerste Wereldoorlog hebben aangetroffen.

 

Bij het NIOOO gaat men ervan uit dat Henri een familielid kwam bezoeken in Harderwijk toen hij er getroffen werd door de Spaanse griep en eraan overleed. Omdat men in dit geval geen andere oplossing had, de griep was erg besmettelijk, werd hij op het Belgische deel van de begraafplaats Harderwijk begraven.

 

Eigenaardige samenloop van omstandigheden echter. Henri was in Hollogne-aux-Pierres geboren op 10 oktober 1906. 

 

 

 

LÚopold Moureau, geboren in hetzelfde Hollogne-aux-Pierres op 22 maart 1904, staat op de gedenkplaat van de Tweede Wereldoorlog in Hollogne-aux-Pierres als slachtoffer van die oorlog.

Broer of familie van bovengenoemde Henri?

 

 

 

 

Heerlen

 

 

 

 

Maastricht

 

 

 

 

Vlissingen

 

 

 

 

Venlo

 

 

 

 

Dokkum

 

 

 

 

Sluit tabblad/venster