Onderwijs en respect

 

 

Het was donderdag 8 augustus 2013 en het weer was prachtig. Om kwart voor tien in de voormiddag maakte ik mij klaar voor een fotosessie met de 456 gesneuvelde soldaten van de Eerste Wereldoorlog op de militaire begraafplaats van Lier.

 

Vanwege de vakantie was het vrij kalm op de anders wel drukke Mechelsesteenweg aan de Ringenhofwijk. Ik had mijn statief opgesteld en was bezig met het monteren van mijn camera op het statief toen ik plots gewaar werd dat er iemand in de buurt kwam. Ik draaide me om en zag een jonge man en een vrouw naderen. Hem schatte ik zowat 18/19 jaar oud, van het zuiderse type, maar de dame was zwaar gesluierd en door dat gezichtsverlies kon ik haar ouderdom niet echt inschatten.

 

Toen ze op mijn hoogte kwamen, zei de jonge man in onberispelijk Nederlands goeiedag. Hij stelde zichzelf voor en stelde dan de dame voor als zijn tante. Hij was zeer fier mij te kunnen mededelen dat hij een Belg was, hier geboren, terwijl zijn tante in Turkije woonde en hier op bezoek was bij zijn ouders. Het gebeurde bijna nooit dat ik gezelschap kreeg op een militaire begraafplaats dus ik kon mij klaarmaken voor een babbeltje.

 

Zij hadden die ochtend uitgekozen om naar de militaire begraafplaats te komen want hij wist feitelijk niet goed wat deze plaats betekende. Hij vermoedde wel dat het een begraafplaats was maar had geen flauw idee van wie hier begraven lagen en waarom. Hij wou zijn tante deze plek tonen waarover er, voor hem althans, altijd een waas van geheimzinnigheid gehangen had.

 

Ik legde hem uit dat de begraafplaats een militaire begraafplaats was waar enkel Belgische militairen, soldaten dus, begraven waren die in de Eerste Wereldoorlog in de wijde omgeving van Lier gesneuveld waren. Meer dan de helft van de graven staan er in een halfrond in drie rijen kop aan kop.

Wij stonden juist aan het begin van zoín halfrond en ik vroeg hem om eens ieder graf in een halfrond te bekijken met vooral aandacht voor de geboortedatum en overlijdensdatum van iedere soldaat. 

 

Hij had met zijn tante een korte conversatie in het Turks en ze deden wat ik gevraagd had. Toen ze terugkwamen, ik had ondertussen wel al een reeks fotoís genomen, zei de jonge man: ďDie soldaten waren allemaal maar een jaar of zo ouder dan ik en ze zijn gestorven in de maanden augustus en september van 1914Ē.

 

Dan werd het tijd voor een les geschiedenis. Ik vertelde hem dat de Eerste Wereldoorlog begon op 4 augustus 1914 met een inval van de Duitse troepen in BelgiŽ. Dat het een kleine drie maanden geduurd had eer de Duitsers de forten van Namen, Luik en Antwerpen veroverden, de Schelde overgestoken hadden en zich klaarmaakten om het laatste stukje BelgiŽ van de kaart te vegen. Dat dan de opmars stopte en dat er volle vier jaar een loopgravenoorlog woedde in de Westhoek, in Frankrijk, ItaliŽ, Oostenrijk, de Balkan, ja zelfs tot in Turkije. Dat het daarom was dat die oorlog een Wereldoorlog werd genoemd.

 

Toen hij de naam van het geboorteland van zijn ouders hoorde vallen en ik hem daarbovenop vertelde dat Turkije ten opzichte van BelgiŽ in het kamp van de vijand gevochten had, was hij erg verwonderd. Hij begon een conversatie met zijn tante en moest na een paar minuten toegeven dat ik gelijk had. Zijn tante wist nog vanuit haar schooljaren dat Turkije met den Duits had meegespeeld. Op een bepaald moment viel zelfs de naam Gallipoli.

 

Dan was het mijn beurt om verwonderd te zijn. Hoe kon het dat zijn tante, die naar onze normen toch een minder kwaliteitsvol studieaanbod zou gekregen hebben, meer wist over de Eerste Wereldoorlog dan haar neef die hier bij ons een perfecte scholing heeft gekregen? Leren wij de verkeerde dingen aan onze kinderen? Ik heb niet aangedrongen en daar stilletjes het mijne van gedacht maar het zat me niet lekker.

 

Omdat ik dacht dat de speeltijd voorbij was begon ik aanstalten te maken om verder te gaan met mijn fotosessie. De jongen vroeg mij onmiddellijk wat ik aan het doen was en waarom. Ik vertelde hem dat ik fotoís aan het maken was van de graven van de gesneuvelde soldaten met het doel die in 2014 te gebruiken bij de herdenking van de honderdste verjaardag van het begin van de Wereldoorlog.

 

Hij vroeg ook of die soldaten hier effectief begraven lagen. Behoudens het gegeven dat er 143 onbekende soldaten lagen, en misschien een paar vergissingen, moest ik beamen dat dat het geval was. Volgens de jonge man stond ik dan wel boven op de stoffelijke resten van die jongens voor het maken van mijn fotoís. Voor hem was dat heiligschennis.

 

Eens te meer was bewezen dat de Islamieten meer respect hebben voor de doden dan de Christenen en hij liet het mij op onverbloemde wijze verstaan.

 

Daar had ik nog niet bij stilgestaan, maar ja, als je het zo bekijkt had hij gelijk. Tussen de lens van mijn camera en het onderwerp was er nooit meer dan 1,10 m. dus staat mijn statief ergens boven de knieŽn van de gesneuvelde en ik, daarachter, trap op zijn tenen.

 

De jongen toonde mij dan hoever ik achteruit moest gaan om de doden niet te verstoren. Vanaf die dag heb ik veel meer werk met het bewerken van mijn fotoís.

 

In het naar huis gaan, stelde ik mij twee vragen:

 

1 - Laten wij onze kinderen op de schoolbanken wel de harde waarheid weten van wat hier 100 jaar geleden gebeurd is zodat ze bewust worden van het voorrecht te leven in een vredelievende maatschappij?

 

2 - Is er nog voldoende respect voor het offer van het leven dat onze gesneuvelden 100 jaar geleden gebracht hebben?  Respect voor het offer van hun gezondheid dat onze vuurkruisers en oudstrijders gebracht hebben?

 

 

 

Sluit tabblad/venster